Eerste Graaf van Loonstraat 6a – 5921 JC – BLERICK

De tijd in Maria Roepaan waar ik 32 jaar met veel plezier in de voedingsdienst heb gewerkt, was niet altijd eenvoudig. Er is een tijd geweest dat ik dacht: is dit wel de goede keuze die ik gemaakt heb? Ik voelde me soms echt alleen, een uitzondering, ik meende dat niemand me begreep.

Bij gelegenheid van mijn zilveren jubileum op Maria Roepaan in 1989, had ik een gesprek met Truus Rüter. Zij schreef hierover in het blad van de instelling.
’s Morgens stond je 72 kannen melk te vullen.

Soms gebeurt het dat je, als je je in mensen verdiept, met stomheid geslagen wordt. Dan hoor je dingen die je nooit achter iemand had gezocht. Dat overkwam mij tijdens een gesprek met zr. Magdalien. Wie schetst mijn verbazing toen ik die rustige bescheiden Magdalien hoorde vertellen over het feit dat ze in de eerste Roepaanjaren een slagerscursus volgde en wekelijks, samen met T. Giesbers van de tuinbouwdienst een halve koe en twee varkens uitbeende! En bij zo`n verhaal realiseer je je meteen dat bijna niets meer hetzelfde is gebleven. : “Tja”, peinst Magdalien,”in die tijd bekeken we de varkens en de koe en dan besloten we hoe het menu van die week eruit zou zien. Nu bedenken we een menu en vervolgens hoor je de kok de slager bellen om minutenlang codenummers door te geven . Daar komt, bij wijze van spreken, geen slagersterm meer bij te pas. Met de groenten is het al niet anders. In die eerste jaren ging zr. Gulìëlma op vrijdagmorgen bij Martien Koenen in de tuin kijken om te bespreken welke groenten er de komende week gegeten zouden worden. En dan zei Martien altijd:”Het komt in orde, als het weer tenminste mee werkt”. Nu doet het weer er absoluut niet meer toe en wordt alles gewassen en gesneden afgeleverd’’.

Na haar noviciaat werd haar gevraagd of ze in de keuken van Maria Roepaan wilde gaan helpen.”Ik werd door een paar medezusters weggebracht en toen wij daar in onze zusterskleren inclusief de kappen door de keuken liepen, hoorde ik iemand achter mij zeggen:Zou het die oudere of die jonge zijn?
Ik was toen tweeëntwintig. Ik was het dus: de jongste.
De keuken in de oudbouw was net verbouwd, dat betekende dat ze van een groot kolenfornuis overgegaan waren naar stoomketels. Ik herinner me hoe akelig ik het vond als ik vroege dienst had .Het gebeurde nog weleens, dat de stroom uitviel en dan moest ik helemaal door het donker het souterrain door om ergens in het ketelhuis op een knop te drukken. In die jaren was er ook een juffrouw Vogelpoel die een paar weken in het jaar vanuit Den Haag kwam controleren of wij hygiënisch en verantwoord werkten.

Er moest hard gewerkt worden, want niets werd nog kant en klaar aangeleverd. Je moet je voorstellen, dat je `s morgens 72 kannen melk voor de afdeling moest vullen. We hadden altijd hulp van de bewoners. Zo hebben Ine Hogeveen, Mia Fijen en Yvonne Koster jarenlang geassisteerd. Mia kreeg iedere morgen een gekookt eitje, omdat ze zo mager was. Ine kon geweldig goed afwassen en opruimen, al herinner ik me dat ze een keer tegen me zei: Dat hoef ik niet te doen, want ik ben ouder dan jij! Voor Yvonne schreef ik bijvoorbeeld op een papiertje in blokletters P e e r en dan haalde ze een blik peren uit de kelder –ze was doofstom-  Samen met Ine Hoogeveen heb ik eindeloos veel appelmoes ingemaakt. Dat deden we voor het geval we helemaal geen groenten hadden. Dan stonden er na zo`n weck –sessie minstens vijfhonderd vijfliterse flessen appelmoes die binnen de kortste tijd weer op waren.
Op een dag vond de keuringsdienst van waren, dat pupillen niet meer mochten meehelpen in de keuken, vanwege de hygiëne.Zij mochten nog wel aan de lopende band deksels op de pannen leggen”.
Waar zr. Magdalien nog erg aan heeft moeten wennen, was de man in de keuken.
Van huis uit was ze absoluut niet gewend, dat vader ook maar één vinger in het huishouden uitstak en broers waren er ook niet. Ze herinnert zich dat de keuken in de nieuwbouw een maand later klaar was dan gepland. Inmiddels was er wel personeel aangenomen en daar waren ook mannen bij . “Op een dag werd ik met 8 mannen, die onder mijn leiding moesten gaan poetsen, naar de nieuwbouw gestuurd. Ik wist werkelijk niet wat ik daarvan moest denken,dat was zo ongewoon.
Ik ben ook nog eens door iemand gevraagd om bij de befaamde feministische club tante Clara te komen. Het zal voor jou allemaal niet meevallen met al die mannen die de baas worden,” werd er tegen mij gezegd.”Nou daar heb ik helemaal geen moeite mee. Ik ben er aan gewend en het is goed zo”.

Trots
Zr. Magdalien verzorgt voor de keuken het centrale planbord, waarop een ingewijde precies kan zien ’wanneer’ ‘wie’ ‘wat’ gaat eten. Daarnaast maakt ze het werkrooster voor alle medewerkenden van de voedingsdienst. Als de chefkok vrij heeft, neemt ze de leiding over en soms valt ze in als kok. Ze is van alle marken thuis.
‘’Ik vind ‘’, zegt ze niet zonder trots,`’dat we een erg goede keuken hebben .Bij ons wordt iedere dag verse soep en pudding gekookt. Die zal op Maria Roepaan nooit uit een pakje komen.
Dat is op veel plaatsen wel het geval, want dat horen we van stagiaires en leerlingkoks die in andere instellingen hebben gewerkt. Vroeger werd overgebleven groente de volgende dag wel eens opgewarmd, maar dat mag allemaal niet meer, dus is het de kunst om zo weinig mogelijk over te houden.
Ik vind het leuk, om zo goed te plannen dat er nauwelijks iets hoeft te worden weggegooid.
Ik hoop wel, dat we binnenkort eindelijk een grote magnetron mogen aanschaffen, dan kunnen we ons namelijk veel sneller aanpassen aan onverwachte gasten in het restaurant.
Er zijn jaren geweest waarin het in de keuken niet zo gemakkelijk verliep” vertelt ze. “Maar de laatste jaren is er veel verbeterd en daar hebben we met z`n allen ook hard aan gewerkt.
In die jaren waarin het minder goed liep, kostte het werk me geweldig veel energie.
Dan kwam ik uitgeput thuis en kwam ik vervolgens nergens meer aan toe.
Tegenwoordig gaat het veel ontspannender en heb ik weer tijd en zin om na het werk ook nog een leven te hebben”.