Eerste Graaf van Loonstraat 6a – 5921 JC – BLERICK

De congregatie kwam in 1876 in Nederland aan en begon haar werk zoals dat toen mogelijk was. In de kleuterschool stonden zusters zonder opleidingspapieren en ook in de wijk begon men zonder diploma. Men werd wijs door ervaring.

Door de vermaatschappelijking van het werk veranderde er van alles op allerlei gebied. Diploma’s werden vereist, zusters zonder diploma moesten het veld ruimen. Het bestuur was in de eerste periode nog altijd de congregatie Er kwamen wetten en voorschriften. Leken deden hun intrede. Dat was bijvoorbeeld heel duidelijk in het ziekenhuis. Werkten de zusters daar de gehele dag, soms een dag en nog een deel van de nacht, toen de leken hun intrede deden werd de werkdag van 8 uur een normaal verschijnsel. Zo kregen de zusters ook meer vrije tijd. Salarissen deden hun intrede, voorheen was er soms een overeenkomst met de congregatie gesloten.

In het onderwijs kon men oorspronkelijk zusters zonder meer verplaatsen, nu kregen de leken en de zusters een aanstelling waaraan rechten verbonden waren. Er kwamen andere schoolbesturen, zodat ook zusters niet verplaatst konden worden als de congregatie ergens een vacature had.De kleuterleidsters kregen pas in 1956 een salaris, tot die tijd moest de congregatie opkomen voor de salarissen en betaalden de ouders een bijdrage.

Langzamerhand werd vrijwilligerswerk weer belangrijk voor de zusters, zo waren ze vroeger ook begonnen. Dit werk was: helpen bij de liturgie, pastoraal werk, werk bij zieken, ouderen en vluchtelingen.

Zuster Cornelia Schellens en haar werk in de Wereldwinkel.

In 1994 kwam ik na 24 jaar besturen terug in de Nederlandse provincie en wel in de communiteit in Schijndel. Ik kreeg de ruimte om rond te kijken en wat te zoeken waar ik mij voor in wilde zetten. Stapje voor stapje kwamen zaken op mijn weg en kwam ik de brug over om zaken op maatschappelijk gebied aan te grijpen.

In de wereldwinkel ging ik als vrijwilligster aan de slag. Werken voor de derde wereld en het proberen om mee te helpen om op eerlijke wijze de spullen van daaruit teverkopen trok mij wel. De doelstelling was duidelijk omschreven:“Een wereldwinkel verkoopt producten uit derde wereldlanden, de makers krijgen een eerlijk loon, dat is algemeen bekend. De leuze van een wereldwinkel is nog steeds ‘Eerlijke wereldhandel is de beste vorm van ontwikkelingshulp’. Steun het wereldwinkelwerk, en daarmee duizenden boerengezinnen en ambachtslieden in de derde wereld.”  Ik ontdekte al vlug dat het veel meer aandacht vroeg dan alleen even een aantal uren winkeldienst draaien. We vergaderden 1 maal in de maand, dan moesten allerlei zaken geregeld worden o.a. het invullen van het dienstrooster, het regelen van de inkopen, het bestuderen van de achtergrond van de artikelen en het goed bijhouden van het kasboek. Het volgen van de ontwikkelingen van het Wereldwinkelbeleid in Nederland was van belang evenals het bijwonen van de regionale vergaderingen, het voorbereiden van bepaalde acties ( Kerst, St. Nicolaas). en het staan met een kraam bij Festivals enz. Ik deed de ontdekking dat veel beginners, ik ook, denken als ik mij aanbied als vrijwilliger dan is het voor enkele uren winkeldienst 1 of 2 maal in de week, maar als niemand bereid is zorg te dragen voor alle andere zaken dan is het spoedig gedaan met de wereldwinkel.
Zo ging ik regelmatig naar Culemborg of Liempde voor de inkoop van Faire Trade producten. Omdat alles ook bestuurlijk geregeld moest zijn werd ik bestuurslid van de wereldwinkel. Bij mijn vertrek in 2005 zag men nog niet direct nieuwe leden voor het bestuur, zo stond ik tot eind 2011 nog gemeld als bestuurslid. Nu zijn de zaken nieuw geregeld.
Wat ik er vooral van geleerd heb is dat het werk veel aandacht, interesse en doorzettingsvermogen vraagt, vooral in tijden dat verkoop op een laag pitje staat. Je moest je blijven verdiepen over de afkomst van de spullen, de landen, de werkwijze enz. Je moest kijken wat liep en niet liep. Je leerde met allerlei soort mensen omgaan. Ik merkte dat het veel verantwoordelijkheid vroeg.

Werkzaamheden van Zr.Thérèse Voermans.

Na het kapittel van 1970 kwam er de mogelijkheid om vrij te solliciteren. Omdat ik mij zou aansluiten bij een kleine leefgroep bij de Zrs. Leonie Sengers en Catharina van Gerven in Geldrop, die al werkzaam waren in het ziekenhuis, ben ik gaan solliciteren naar werk. Dat was niet makkelijk als religieuze, want ik wilde graag tussen en met mensen blijven werken.
Via het Arbeidsbureau in Eindhoven ben ik mondeling op sollicitatiegesprek geweest, dat kon toen nog, bij Dhr. G. Leijten, directeur van een bruidsjaponnenatelier. Het was een bijzonder gesprek en hij was bekend met religieuzen. Op 01-05-1972 ben ik bij ”JOLIE” J. Leijten n.v. ateliers voor bruidskleding en modegroothandel aan het werk gegaan. Er werkten 106 personen. Dus dat was wel even wennen maar ik werd helemaal in de groep opgenomen. Het was de bedoeling dat ik met iedereen in contact kwam van administratie tot magazijnpersoneel. Het was geen bandwerk. Ieder maakte een hele bruidsjapon. Na tweeënhalf jaar in kleine groepjes gewerkt te hebben, werd ik gevraagd als modellennaaister. Dat was samenwerken met de ontwerpster dus naar de modellenafdeling en de eerste japonnen, ontworpen door de ontwerpster, knippen en uitwerken. We werkten goed samen en de contacten waren bijzonder. Als er 40 japonnen klaar waren, werden ze afgepast bij de mannequins en bekeken of het geschikte modellen waren voor de verkoop. Geregeld waren er modeshows dan was ik die avond aanwezig om de mannequins te helpen bij het aankleden. Dat was een avond voor de winkeliers. Die konden alles bekijken en bestellen. Daarna was het gezellig samenzijn met een Brabantse koffietafel als dank. Ik ben dankbaar dat ik deze jaren daar heb gewerkt met goede herinneringen en plezierige contacten met het personeel, maar ook met de familie Leijten.
Het waren elf bijzondere jaren in mijn leven waar ik met liefde en plezier aan terugdenk.

Via ”Vraag en Aanbod” ben ik op 01-01-1984 als hulpverleenster bij ”Stichting Ducdalf” Huize Odulpha in Eindhoven gaan werken voor twintig uur betaald en twintig uur als vrijwilligster. Het was meedraaien in een dienstrooster voor dag en nacht. Het was een crisisopvangcentrum voor mensen in acute nood. Via de politie, maatschappelijk werk en verschillende organisaties werden de gasten opgenomen voor dag en nacht. Als begeleidster was het heel belangrijk om te luisteren en een vertrouwensrelatie op te bouwen, want er moest concreet veel gebeuren en het aanbrengen van structuur was heel belangrijk. Mij werd vaak de begeleiding van moeders met kinderen toevertrouwd, dat lag mij wel. Vaak was het moeilijk voor kinderen, omdat er ook wel eens gasten waren die moeilijk en vervelend deden. Meestal kwam het goed uit dat de kinderen naar school gingen of al naar bed waren.
Iedere gast had zijn eigen verhaal met veel problemen van weglopen thuis of ruzie in een relatie. Regelmatig waren er gesprekken met degene die ze in het huis geplaatst had over de mogelijkheden om werk te vinden, terug naar huis of op kamers te gaan en zo verder te komen in de maatschappij.
Een keer in de week was er een vergadering met de gasten en werd er gesproken over de sfeer in huis en het verdelen van corvee. Er waren wel eens gasten die kwaad werden en wegliepen naar hun kamer. Later werd met die persoon gesproken over wat er gebeurde op dat moment.
Een keer in de week mochten ze een avond uit maar op tijd binnen zijn. Soms gebeurde het dat ze niet meer thuis kwamen. Die personen hadden we door en wij wisten dat die bij ons niet op de juiste plek waren. Wij moesten dit dan altijd doorgeven aan de instantie en vooral aan de politie.  Over dit werk in ”Stichting Ducdalf” Huize Odulpha kan ik wel een boek schrijven met veel interessante verhalen.  Dit belangrijk werk heb ik met veel plezier gedaan tot juni 1993.
Zr. Thérèse Voermans

Zr. M.Antonia Peeters als kapster en vrijwilligster.

Zuster M.Antonia heeft vele jaren de haren van de zusters gekapt en vrijwilligerswerk gedaan. Een verslag hiervan.

Toen in 1968 de zusters de sluier af mochten zetten kwam de vraag van het provinciaal bestuur of ik de zusters wilde helpen met fatsoenlijk knippen en krulspelden zetten. In Apeldoorn had ik altijd al de zusters de haren geknipt al werden die onder de sluier verborgen, dus ik wist er wel wat van af. Ik heb toen toch gezegd dat ik dat wel wilde doen, maar dat ik dan eerst wilde kijken bij een echte kapper hoe ik het helemaal goed kon doen.Kapper Timmermans beter bekend als ”wielke de kapper” wilde ons wel leren een “goeie coupe” te knippen als er 8 zusters waren om les aan te geven. We kregen 8 lessen, ik ben toen nog bij een andere groep doorgegaan en heb alles geleerd wat een kapster moet leren.In 1971 was ik zover dat ik alles kon doen, permanenten,knippen, verven. Ik werkte ’s morgens in Steyl, evt. kwamen daar ook zusters van buiten naar toe. Om 15.00 uur moest ik dan in Steyl Zr.Veronica aflossen aan de telefoon. Ook deed ik nog vrijwilligerswerk .Om 18.00 uur kon ik naar huis. Een keer per week was ik vrij dan ging ik in Blerick de haren van de zusters verzorgen.
In 1993 ging de eerste groep zusters naar Boxmeer. In 1994 toen de tweede groep zusters naar Boxmeer ging vroegen de zusters aan het bestuur of Zr.M.Antonia niet mee kon gaan als kapster. Ze mochten mij zelf vragen en toen kon ik natuurlijk niet “nee” zeggen. Ik zag erg op tegen de treinreis. Vier keer per week met de trein naar Boxmeer en terug , twee fietsen, eentje om naar het station te fietsen in Blerick en eentje om naar “het Kasteel” te fietsen in Boxmeer. Op afdeling 1+ werd het keukentje ingericht als kapsalon. Er stond een koffiezetapparaat en het was er altijd erg gezellig. Soms, als het zonnetje scheen, zaten we samen op het balkon dat uitkwam op het keukentje. Als de zusters aan het rusten waren ging ik wandelen of boodschappen doen voor de zusters. Ik heb het altijd graag gedaan maar het was wel heel erg zwaar. De hele dag staan en veel de armen optillen. Alles bij elkaar waren het 36 jaar, vooral de periode in Steyl was zwaar. Het reizen naar Boxmeer was ook moeilijk. Er waren veel vertragingen of de trein stond stil op de rails in verband met een ongeluk. In de winter was het vaak koud of glad. Maar de waardering van de zusters was oprecht en daar kon ik het ook voor doen. De samenwerking onderling in het team in Boxmeer was goed . Een mooie herinnering heb ik aan Zr.Johanella. Ze mopperde vaak en dan zongen we samen liedjes uit de Tegelse revue, dan klaarde ze helemaal op. De laatste woensdag dat ze leefde ben ik met haar een ijsje gaan eten in het dorp, ze kon daar echt van genieten. Mij deed het dan ook goed.
In Boxmeer heb ik naast dit kapperswerk ook nog vrijwilligerswerk gedaan. Er waren drie vrijwilligsters van buiten toen Dhr.Lamers mij vroeg of ik bereid was om te helpen bij het handwerken of kaarten in de soos. Toen ik de middagen niet meer hoefde te kappen ging ik helpen met hardanger en werkjes afwerken voor de handwerktentoonstelling. Ook bij de handwerktentoonstelling heb ik wel geholpen o.a. bij het rad van avontuur. Het was gezellig en leuk. Dhr. Wijnhoven plaatste op een gegeven moment een advertentie in het Boxmeers krantje voor vrijwilligers. Toen zijn er ook leken vrijwilligers gekomen , er kwam een vrijwilligerscontract en er waren regelmatig vergaderingen. Het was een leuke groep en we kregen soms attenties e.d. Ik heb het met hart en ziel gedaan. Met pijn in het hart moest ik besluiten te stoppen. Het ging niet meer in verband met lichamelijke klachten.
Nu ben ik blij dat ik weer als vrijwilligster door kan gaan en zo nog wat kan betekenen voor anderen.
Zr.M.Antonia

Communicatie met buitenlandse vrouwen door Zr. Virgo Barkey.

Na mijn pensionering vanuit het onderwijs heb ik als zuster van de Goddelijke Voorzienigheid een aantal jaren les gegeven in de Nederlandse taal aan enkele buitenlandse vrouwen. Daarvoor fietste ik 2 keer in de week naar het Rode Kruisgebouw in Belfeld.
Er kwam een aantal vrouwen afkomstig van verschillende landen met hun eigen religies. Van enkele Marokkaanse vrouwen merkten we hun Islamitische geloofsovertuiging. Enkele keren werd een eigen gebedsmatje meegebracht en deed de een of ander op een onopvallend plekje heel ingetogen een middaggebed. Tot die groep behoorden twee 50-jarige vrouwen, de anderen waren tussen de 20 en 30 jaar. Die jongeren brachten hun baby of peuter mee naar de les. Anderen kwamen uit Somalië en Bosnië, ook Islamitische of Mohammedaanse vrouwen. Die vond ik allemaal zeer vroom. Christinnen waren de 2 mooie vrouwen uit Zwart-Afrika: Liberia en Rwanda. Zij hadden veel leed en geweld ondergaan.In hun thuisland hadden zij Engels of Frans geleerd. Weer anderen kwamen uit Thailand en Sri-Lanka. Deze Aziatische vrouwen deden hun best om aan Boeddha’s idealen te beantwoorden. Deze vrouwen waren geen analfabeten.
Bij iedere les lasten we een koffiepauze in en vermaakten ons daarbij best. Handen en voeten moesten flink meepraten als we elkaar wilden begrijpen. Een woordje Frans of Engels hielp wel een beetje. Met wat raden en aanvoelen lukte het om contact met elkaar te krijgen. Dat aanvoelen was voor de Berbervrouwen belangrijk. Tot op zekere hoogte bediende ik me bij hén van een “taal des harten”.
De Marokkaanse vrouwen waren bij de lessen Nederlands speciaal aan mij toevertrouwd. Ze beseften dat ze nodig wat redzamer moesten worden in onze samenleving. Gelukkig dat er in Nederland al goed uitgewerkte methodes bestonden, die wij konden gebruiken. In de koffiepauze bleek duidelijk dat zij grote eerbied hebben voor “de profeet Jezus” en ook voor Boeddha en diens levensleer. Ze lieten altijd waardering blijken als ze ervoeren dat ook andere vrouwen God willen eren en een goed mens willen zijn. Zij hielden zich aan de werkelijke of vermeende voedings- en kledingsvoorschriften van de Koran. Hun voorgeschreven gebeden verwaarloosden ze geenszins en in de vastenmaand kon niemand hen verleiden om iets te eten of te drinken. Aan mij vroegen deze vrouwen dan ook wel eens of ik ook vastte. Dan moest ik bekennen: “Nee, echt vasten zoals jullie dat kunnen, dat speel ik niet klaar. Dan zei ik hen ook, dat in ónze “vastentijd’ heel veel personen en gezinnen een flink geldbedrag afstaan voor de noodlijdenden op de hele wereld. Dat laatste was dan weer een punt van herkenning tussen hen en ons.
Mijn leerlingen verwachtten van mij ook een vrome levenshouding en ik hoop dat ze die ook hebben ervaren. Volgens mij was het deze levenshouding, waardoor we ons zo van harte met elkaar verbonden voelden. De communicatie met woorden was en bleef moeilijk. Een communicatie der harten was er wel. Als zuster van de Goddelijke Voorzienigheid is er in mij het verlangen dat de mensen met wie ik in contact kom ervaren dat ik welwillend en waarderend met hen samen leef en dat ik mij soms kan inleven in datgene wat hen ter harte gaat.

Mijn werk met vluchtelingen door Zr. Marita Pouwels.

Toen er in 1999 een einde kwam aan mijn bestuursfunctie in het generalaat in Münster en ik me in Cuyck huisvestte, moest ik een nieuwe invulling geven aan mijn leven. Een van de werkzaamheden die op mijn weg kwamen, was het contact met stichting “VONK ” in Boxmeer: Vluchtelingenwerk Opvang Nieuwkomers. Wat hield dit werk in ?
Nederlandse les geven.
In die tijd waren alle vluchtelingen verplicht 600 uren Nederlandse les op school te volgen. Dit was nodig om in de Nederlandse samenleving mee te kunnen komen en mee te kunnen functioneren. Na een bepaalde periode moest er een toets worden gemaakt om te testen hoever men de Nederlandse taal beheerste. Op school ben ik niet werkzaam geweest, maar wel privé. Degenen, met name moeders, die om psy­chische redenen of omdat ze nog hele kleine, soms zieke kinderen hadden en daarom de school niet konden bezoeken, konden met toestemming van de betreffende ge­meente thuis les krijgen. Maar ook zij moesten na verloop van tijd, zoals iedereen, een toets maken om te peilen hoever hun kennis ging. Ik bezocht wekelijks twee families, waaronder een Bosnisch gezin om de moeder te helpen. Zij was nierpatiente en zo ziek dat ze helaas op 34-jarige leeftijd is overleden. De vader bleef met drie kleine kinderen in de leeftijd van 2, 7 en 9 jaar achter.
Sociaal-maatschappelijke begeleiding
· Regelmatig had ik contact met vluchtelingen om, vanuit een geleidelijk aan ontstane vertrouwensbasis, behulpzaam te zijn bij het integratieproces in de buurt, in het dorp, in Nederland. Dit was niet eenvoudig, gezien de totaal verschillende situaties en de cultuur van het land van herkomst. Dit vroeg veel tijd, geduld en begrip.
· Het afhandelen van talloze telefoontjes en het invullen van ingewikkelde formulieren, waar de vluchtelingen en soms zelfs wij, begeleiders, maar nauwelijks raad mee wisten. Steeds beter leerde men het gemeentehuis m.n. afdeling sociale zaken, het politiebureau en verdere instanties en instellingen van buiten en meer nog van binnen kennen.
· Begeleiden naar doktoren en ziekenhuizen, in het dorp, maar ook verder weg, in mijn geval tot in Rotterdam toe.
· Hulp verlenen in het bijbrengen van een soort ‘boekhouding’, zodat men meer zicht kreeg op de aanwezige financiën en men niet maandelijks op zwart zaad zat.
· Verzorgen van vervoer: korte en lange ritten o.a. naar een vakantiekamp in Leusden, waar de kinderen volop konden genieten van de prachtige omgeving en het omgaan met vriendjes. Zo’n rit loonde echt de moeite.
· Spontane bezoeken om het gevoel te geven, dat wij, ook als er geen problemen waren, vriendschappelijk, ongeacht kleur en nationaliteit, met elkaar wilden omgaan. Juist in zulke ongedwongen situaties kwamen de meest schrijnende verhalen op tafel.
Hulp voor de vrijwilligers.
· Om wat meer zicht te krijgen op het werken met vluchtelingen werden er in de regio maar ook elders in het land regelmatig cursussen aangeboden, waaraan wij gratis konden deelnemen.
· Verder hadden we elke eerste dinsdag van de maand vergadering, waarin naast de agendapun­ten ook ons verhaal aan bod kwam, wat erg belangrijk was.
· Zo nu en dan waren er contactavonden rond een bepaald thema. Hieraan waren dan discussies verbonden, die heel leerzaam waren.
· Ook waren er avonden, waarop vluchtelingen zelf aan het woord kwamen. Dit gebeur­de op ludieke wijze, maar wel zo duidelijk, dat we later met de informatie maar ook de nodige vragen naar huis gingen.
· Zo nu en dan vonden er in het land georganiseerde bijeenkomsten voor vluchtelingen plaats, waarbij men ons als begeleiders graag aanwezig zag. Dit was voor ons een mogelijkheid te meer om de verschillende culturen nog meer te leren kennen. Het was interessant om te kunnen zien, hoe groot de cultuurverschillen onderling waren, maar ook, hoe open en hartelijk men, ondanks alle verschillen, met elkaar omging.
Terugdenkend aan deze periode, 1998 tot 2005, kan ik alleen maar zeggen, dat het voor mij een verrijkende en leerzame tijd was, waarop ik nog steeds dankbaar terugzie.

De activiteiten van zr. Marie Desiree Peulen in de Betuwe.

“Van verborgen leven in de schaduw van de kerk naar openbaar leven daarbuiten; van pastorie naar particulier wonen.” door zr. Marie Desiree Peulen. Na een periode van 22 jaar een min of meer verborgen leven te hebben geleid binnen de omheinde hoven van kerk, pastorie,(processiepark-)tuin en zondagsschuur – katholieke tegenhanger van de protestantse zondagsschool – kwam ik terecht op de openbare weg van de wereld daarbuiten.

Op dinsdag 4 oktober 1999 verhuisde ik vanuit de pastorie in de Grotestraat naar de daar pal tegenover gelegen Dr.D.M.van Londenstraat nr.3, loopafstand ± 150m.Daar werd me meteen al heel snel duidelijk dat de drempel van die tussenwoning op straatniveau letterlijk en figuurlijk een stuk lager was dan op de pastorie.In de loop van de 19de eeuw waren de principes van de Franse Revolutie “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”tot in de Nederlanden doorgedrongen. Toen hier de katholieke minderheid zich daardoor weer vrij mocht laten horen en zien, werd de pastorie met het hele kerkcomplex, op eerbiedige afstand en op een hoogte gebouwd met een statige op- en afrit. Toch was het daar voor iedereen altijd open huis.

Hoewel een deel van mijn werkzaamheden na mijn verhuizing gewoon door kon blijven gaan, had ik toen toch geen dagtaak meer aan de k’s van kerk-koor-katechese-keuken-koolhof-kippen, waarvan de laatste drie meteen al weg vielen. Die taakverlichting werd al gauw opgemerkt door mijn omgeving, zodat ik in diezelfde maand oktober’99 – op verzoek- al op volle toeren meedraaide in het tafeltje-dek-je-project van de Stichting Welzijn Neerijnen (SWON) en dat is nu, januari 2012, nog steeds het geval.
Een paar maanden later wist de SWON vanuit Waardenburg, op zoek naar invulling van een opengevallen plek in de cliëntenraad van het verzorgingshuis “Westlede” in Tiel, de weg te vinden naar mijn nieuwe adres in Varik, met het verzoek die plaats in te nemen.
Zo’n lidmaatschap verwacht persoonlijke inbreng en inzet ten behoeve van het maatschappelijk-sociaal welzijn van de bewoners en het ontwikkelen van gedachten en ideeën om tegemoet te komen aan wensen, vragen en klachten, met als enig doel het verwezenlijken van de verschillende voorstellen.
Toen “Westlede” met ingang van januari 2011 opging in “De Vier Gravinnen,” zonder keukenaccomodatie voor tafeltje-dek-je, verviel daarmee het bestaansrecht van die cliëntenraad en daarmee de bemoeienis van de SWON.
Het gevarieerd werkplan op de pastorie bood geen gelegenheid tot deelname aan het verenigingsleven in het dorp, zoals bijvoorbeeld de afdeling Varik en Heesselt van de Bond van Nederlandse Plattelandsvrouwen, hoewel ik daar van het begin af aan zijdelings bij betrokken werd. Elk jaar, tegen Kerstmis, komt het Kerstzangkoortje van ±15 dames weer tot leven om kleur en klank te geven aan de jaarlijkse Kerstavond voor ouderen, toegankelijk voor alle geloofsgemeenschappen.
Toen ik nog maar een paar jaar op de pastorie woonde en het koortje verlegen zat om begeleiding, ben ik ingegaan op het verzoek die taak op me te nemen. Dat heb ik tot Kerstmis 2011 met plezier en voldoening gedaan. Intussen ben ik al ruim 12 ½ jaar lid van “Vrouwen van Nu”.
Gedurende mijn moeizaam gewenningsproces van pastorie naar particulier wonen eind 1999, werd ik door een meelevend kerkbestuurslid uitgenodigd voor een Historische Kringavond in Ophemert. Ik voelde me een beetje een kat in een vreemd pakhuis, tot in de pauze iemand zich als vertegenwoordiger van de SWON kwam voorstellen om meteen het doel van die kennismaking uit te leggen: het bestuur zocht een nieuw redactielid voor hun kwartaalblad. Hoewel ik de uitnodiging daartoe op dat moment als verrassend en vererend heb ervaren, wist ik mijn enthousiasme ter plekke te beheersen en heb pas na het bijwonen van een redactievergadering toegezegd.

In het lentenummer van jaargang 2000 verscheen in mijn eerste kennismakingsartikel de volgende alinea: “Als uitwonend lid van de Congregatie van de zusters van de Goddelijke Voorzienigheid, die gave en goed, tijd en mogelijkheden dient aan te wenden tot Nut van het Algemeen en daardoor ook tot eigen voldoening, kan ik me geen zinvoller bezigheid voorstellen.” Sindsdien lever ik elke drie maanden een heemkundig, eigentijds, uit het leven gegrepen bijdrage aan het SWON-kwartaalblad. Voor informatie moet ik regelmatig op pad, wat mij in de loop der jaren met Betuwnaren van allerlei slag in contact heeft gebracht. Jong of oud, ze vertellen meestal graag over leven, werken, ervaringen en bezigheden en vinden het heel leuk om hun verhaal naderhand te lezen in het streekblad.
In die Historische Kring lag nog een andere pad voor me open. De legendarische dorpsdokter Johan van der Koppel heeft hier gedurende meer dan 50 jaar van de vorige eeuw, tot in de wijde omtrek naam en faam verworven als bijzonder sociaal- en maatschappelijk bewogen huisarts. Zowel hij als zijn vrouw, Maria van den Heuvel, waren afkomstig uit een vermogend Betuws boerengeslacht, beiden enig kind en als echtpaar zelf kinderloos gebleven.In het boek “Stille miljoenen van Rivierenland” lezen we over hen:
“Toen in 1995 het testament geopend werd, bleek het echtpaar meer dan tien miljoen gulden te hebben nagelaten. De rente van één miljoen daarvan moest besteed worden aan recreatieve doelstellingen ten behoeve van alle 65-plussers in Heesselt, Ophemert en Varik. De rest was bestemd voor medische doeleinden. Het echtpaar stond zelf bekend om zijn eenvoud en soberheid van leven. Om de gedachtenis aan dit altruïstisch ingesteld echtpaar in ere te houden, kwam toen het boek ”Koppeltekens” tot stand, met als ondertitel “Uit het leven van een markant doktersechtpaar,” uitgegeven bij de Twin Design bv. in Culemborg. Op verzoek van de toen opgerichte “Van der Koppel-Van den Heuvelstichting” heb ik daarvoor twintig verhalen over leven en werken van deze bijzondere mensen geschreven.

De Bond van Plattelandsvrouwen (Vrouwen van Nu) bood op onverwachte wijze een totaal andere manier tot maatschappelijk contact.
Ondanks de prettige en ongedwongen omgang met elkaar, heeft de overwegend protestantse gemeenschap toch een speciale kijk op het katholieke volksdeel, zeker waar het religieuzen betreft. Het is van de ene kant een zekere terughoudendheid en van de andere kant een merkwaardige interesse in doel en motivatie; men is vooral benieuwd naar energie-en inspiratiebron. Toen – intussen al jaren geleden – een of andere afspraak voor een avondvullende lezing niet door zou kunnen gaan, kwam het bestuur spontaan op het idee en daarmee de vraag of ik niet eens wat zou willen vertellen over het kloosterleven in het algemeen en over mijn eigen ervaringen in het bijzonder. Het was hier bekend dat ik twintig jaar in Utrecht in een ‘echt klooster’ heb gewoond en gewerkt. Daar wilden ze graag meer van weten. Om hun een plezier te doen, heb ik dat toen voor eigen, vertrouwde dorpsgenoten aangedurfd. De spontane reactie overtrof echter alle verwachting.
Aan de hand van aanschouwingsmateriaal ben ik toen de geschiedenis van het verschijnsel ‘kloosterwezen’ nagegaan, te beginnen bij woestijnvaders en kluizenaars en te eindigen bij leven en werken van mijn eigen congregatie. Voor het overwegend protestants gezelschap was veel van wat ik te vertellen had een openbaring en voor mij een verrassende ervaring met een onverwacht domino-effect op verschillende afdelingen “Vrouwen van Nu” of gemengde Soosclub en die lezingen vinden nog steeds plaats met een uitnodiging in het streng gereformeerd Ameide. Er wordt wel eens gezegd dat, zodra iets uit het straatbeeld verdwijnt, vaak uit onverwachte hoek de herwaardering komt…
Al met al ben ik er best trots op om op deze manier hier in de Betuwe mijn congregatie te mogen vertegenwoordigen.
Varik, 25 maart 2012