Eerste Graaf van Loonstraat 6a – 5921 JC – BLERICK

Zuster Magdelena vertelt over haar ervaringen:

Zr. Cecili was een van de pioniers en heeft daar op allerlei gebied de weg gezocht en gevonden. Ze raakte er van alle markten thuis en behartigde veel zaken en belangen; ze was echt een manusje van alles. Ze maakte zich optimaal verdienstelijk in de kerk, in huis, in tuin en keuken.Haar werkzaamheden strekten zich steeds verder uit ook buiten de naaste omgeving.

Alles werd door haar in goede banen geleid en was bij haar in vertrouwde handen: de voorbereiding op liturgische diensten, de zorg voor de paramenten, het versieren van de kerk, de dagelijkse boodschappen, het verwerken van de administratie, het afhandelen van formele en informele besognes, contacten met officiële instanties. Toen Zr. Cecili later naar Afrika vertrok voor nieuw pionierswerk, mocht ik, haar taak overnemen; ze had me goed voorbereid.

De rest van onze zusters op Aruba was werkzaam in scholen, bij de jeugd en in invaliden- en bejaardenzorg. Stuk voor stuk zetten ze zich in waar ze maar konden en stelden zich daarbij beschikbaar om in geval van nood op elkaars terrein bij- en in te springen. Tussen de drukke bedrijvigheden door werd in het weekend ook nog de schoolwas verzorgd. Elke vrijdagmiddag sleepten een stel leerlingen van maar liefst vijf scholen een aantal volle manden vuil wasgoed aan. Met vereende krachten konden we dan aan de slag, zodat het frisgewassen en gestreken goed op maandagmorgen weer gebruiksklaar voor het aanpakken stond.

Als je ver van het vertrouwde thuisfront, je achterban in Nederland, op een eiland in de Caribische Zee leeft en woont, is het een zegen in nauw contact te staan met religieuzen van andere congregaties. En dat stonden we. Met elkaar deel je dan gemeenschappelijke ervaringen in vergelijkbare situaties en omstandigheden. Daardoor ontstaat en groeit er een sterke sociale binding met en naar elkaar toe. De geest van verwantschap onderga je dan als een weldaad. We hebben er altijd naar gestreefd die hechte band in onderlinge saamhorigheid duurzaam in stand te houden.

Het waren de jaren 1962 – 1981, een mooie tijd om met voldoening aan terug te denken. Natuurlijk deden zich ook daar, zoals overal ter wereld, prettige naast onprettige gebeurtenis-sen voor, maar bij een terugblik komen toch telkens weer dankbare herinneringen het sterkst naar boven. Ondanks het tropische klimaat, met altijd volop zonneschijn, was het er toch aangenaam leven, wonen en werken. Aruba is een van de Benedenwindse eilanden in de Caribische Zee. De constante passaatwind, altijd uit dezelfde richting, neemt de ergste hitte mee. Op het einde van een vermoeiende, drukke werkdag was het na gedane arbeid altijd goed rusten in de schaduw van de altijd ruisende bomen.

In onze kleine behuizing, pal naast de kerk, was het vanaf het begin in alle opzichten aanpassen. Het was er erg gehorig en tijdens de kerkdiensten, waar we niet altijd aan deelnamen, moesten we uiterste rust en stilte in acht nemen. Dat leverde wel eens spanningen op, want het werk in huis moest gewoon doorgaan. Stel je voor dat je dat allemaal geruisloos moest doen.

In 1955 was het begin van het werkterrein op Aruba, dat de loop der jaren steeds groter werd. Zo ontstond er plaatsgebrek. Vooral de slaapgelegenheid was alles behalve royaal; het was woekeren met de ruimte. Daarom werden er in het huis achter de pastorie provisorisch nachtverblijven ingericht. Een andere oplossing werd gevonden door drie personeelskamertjes van de school daarvoor te gebruiken; natuurlijk alleen voor de nacht. Dat betekende ’s morgens voor dag en dauw de bedden letterlijk aan de kant te hebben, zodat die ruimten weer beschikbaar waren voor dagelijks schoolgebruik.


Als het groepje zusters van het eiland vrij had, werden strandwandelingen georganiseerd, ’s morgens in alle vroegte. De voettochten waren in- en ontspannend tegelijk en konden door het uitwisselen van gespreksstof en informatie ook heel boeiend en geestverrijkend zijn.

Voor alle eilandbewoners waren de kerkelijke feestdagen en de voorbereiding daarop heel belangrijk en zinvol: Advent, Kerstmis, Veertigdagentijd, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Ze werden massaal en plechtig gevierd en op die feestdagen was de kerk tot de laatste plaats bezet. Op tweede Kerst- , Paas- en Pinksterdag was de kerk echter een grote holle ruimte: dan was er geen mens te zien en lag het gebouw er leeg en verlaten bij. Op zulke dagen ging al wat leeft en beweegt, beladen met vrachten proviand naar de zonnige zee en het strand.

Goede Vrijdag werd als een heel bijzondere dag beschouwd. Dan lagen alle werkzaamheden stil en stond alles in het teken van het passiegebeuren. Alleen in het kerkgebouw gonsde het van bedrijvigheid om alles in glans en luister te zetten voor Pasen. Dan was het tabernakel leeg, brandde er geen godslamp en kon er ongehinderd gepoetst en geschrobd worden. Met Pasen zag alles er dan prachtig uit. Het waren drukke dagen.

Al met al hebben we op Aruba heel fijne jaren gehad, maar zoals onze communiteit in een korte periode uitgroeide van vier naar negen en later naar twaalf zusters, zo kromp dat aantal in de loop der jaren even snel weer in tot we in 1979/1980 nog maar met z’n vieren overbleven. Toe naderde de tijd dat we in januari 1981 ons huis met alles erop en eraan overdroegen aan Blue Army. Die zou de taak waarvoor wij de weg gebaand hadden, voortzetten.

Als laatste drietal gingen we voorgoed terug naar Nederland: Zr. Louisi, Zr. M. Hyacinth en Zr. Magdelena. We namen afscheid van Zr. Graciëla, die er als geboren en getogen Arubaanse de voorkeur aan gaf onze congregatie op het eiland te blijven vertegenwoordigen.

Zr. Felicité is als enige zuster van de Goddelijke Voorzienigheid op Aruba overleden en ligt er ook begraven. Zr. Graciëla heeft haar laatste rustplaats daar ook al bestemd, naast het graf van Zr. Felicité.